Culemborg zoekt een stadsdichter; u beslist!

27 nov 2019
De gemeente houdt een wedstrijd voor stadsdichter 2020. De winnaar verzorgt regelmatig een gedicht voor de gemeentepagina in de Culemborgse Courant. Hij/zij levert ook dichterlijk commentaar op voorkomende gebeurtenissen. Ook krijgt hij/zij eeuwige lokale roem.

De afgelopen periode heeft een aantal inwoners meegedaan aan deze wedstrijd. Uit de inzendingen heeft de jury drie genomineerden gekozen. Nu is het aan u!
Welke van onderstaande gedichten spreekt u het meeste aan? Wie van de dichters komt naar uw mening in aanmerking om de stadsdichter van Culemborg te worden.

Stem tot 15 december

Elke dichter heeft twee gedichten ingezonden. Die staan hieronder. Stemmen kan alleen via de mail. Mail uw keuze (A, B o f C) naar communicatie@culemborg.nl.  Vermeld ook uw naam. Onder de inzenders verloten we een aantal leuke prijzen. Uw stem moet uiterlijk 15 december 2019 bij ons binnen zijn.

A)   Kleintje

Het voelde als bedrogen.
Maar de helft gekregen,
van wat we ooit bezaten.

Maar zie hoe je ogen,
je kunnen bedriegen, want
in werkelijkheid is hij
veel groter, lichter, dan
onze vorige stads bewaarder.

A)  Stadjie

Klein stadjie aon de rivier,
waor da,k lang geléje bin gebore.
Toen minse nog op klômpe liepe,
en pette op der kop.

Waorie dijnsdags over de mart kon dwaole,
En de peliesie die je naom wis, waor je wunde.
Ok wa je vader of moeder déje,
Trouwes, je moeder was altijd tûs, da wis iedereen

Bij de pruimert ging ie ètte haole,
en nai grei bij ût kledinghus.
Bij putjie en sekmegge kôje slik krijge.
Melk, en botter bij ûn boer ût de straot.

Op school kreeg ie toen te hore,
da je nie langer zo praote môg.
Je moes een nàje taol gaon lere,
die hiette Nederlands , en iets mè beschaof.

De meester en de juf déje wa ze konne,
mûr bij mijn is ût nie geluk.
En elk joar, bij de karremes op de mart,
konk heul goed hore ,dak nie de ènegste was.

Mûr das nou al effe nie meer.
Minse van vadderôp wone hier nou.
Die veinde ût mûr een bietjie vremp ak zo prût,
tewijl ût toch eigelûk andersôm zou mutte zijn.

Ût is nou net, dak op vakansie bin,
Imme eige stadjie woark bin gebore.
Want arreges anders, mû je ôk anders praote,
alénig hier magge we ût nou nie meer.

B)  Struikelsteentjes

Het is een blije lentedag,
een dag om hand in hand
onder de milde zon te lopen!
Zomaar wat naar ergens.
In de andere hand een lekker ijsje,
dat we hier op de markt van Culemborg
links in de hoek bij het Raadhuis
nu meteen gaan kopen.
Ik proef de voorsmaak al
van het ambachtelijk bereide lekkers
dat daar op ons wacht.
Nee, deze dag kan niet kapot.
Of toch?
Op onze wandeling daarheen
valt plots mijn oog op een opvallend vreemde steen,
een tweede en een derde ook,
ze brengen me tot staan.
Ik moet me buigen en ik lees
hoe in dit huis op nummer zeven
aan de Culemborgse Markt
een jong gezin, een vader, 38 jaar,
een moeder (34) en hun zoontje (4)
niet langer verder mochten leven
maar, misschien wel op een mooie lentedag in mei,
in Auschwitz zijn verwezen naar de linker rij.
Ik koop een ijsje, toch,
maar ik ben niet meer blij.

B)  Geen halfhartig afscheid

Dat zomaar onderweg je hart niet langer wilde kloppen,
plotseling je stappen stokten,
dat plannen plannen blijven, nooit meer uitgevoerd.
Dat jij, die losse eindjes niet verdroeg
die graag van  a tot z ‘t gebeuren controleerde en liefst tot in de puntjes regisseerde,
dat jij nu alles los hebt moeten laten.
En dat je niet meer weet van alle grote gaten
die door jouw uitval hier gevallen zijn.
We hadden nog zoveel van je tegoed!
We hadden je nog zoveel goeds gegund!
Liefde en warmte, als een mantel om je heen, dragen we naar je toe,
en - God mag weten hoe - proberen te geloven
dat jij nu vrij bent, opgetild, omarmd
geen eenzaam mens, niet moederziel alleen maar thuis gekomen.

C) NIEUWKOMER

Vanuit de grote stad naar … Kuilenburg.
Het Binnenhof, het Malieveld, het Plein
het Voorhout, Spui, de Schouwburg en Pepijn
de Hagenaar en Hagenees, chirurg

en junkie, Woodstock – zwerfvuil in de wind
de slapeloze trams, de Haagse kak,
een tyfusteringlijer! in zijn pak.
“Mag ik naar buiten, mam?” – “Nu niet, mijn kind”

Er was iets, dat ik al die tijd niet wist.
De rust, hier. ’s Nachts kun je de sterren zien.
De papklok zingt een lied om vijf voor tien.

Vier torens reiken – en al is de hemel grijs:
een kind speelt buiten in het paradijs.
Mijn Culemborg, wat heb ik jou gemist.

 

C)  ICARUS

“Het industrieterrein! Een grote brand!”
Dat is het eerste wat ik meekrijg, hier.
“Politielinten lijken voor de sier,”
kopt digitaal de plaatselijke krant.

De mensen filmen blind. Ze horen niets.
De rook laait grommend in de middagzon.
De hitte trilt, vertekent het beton,
vervormt een man met kindje op de fiets.

Dichtbij. En nog wat dichter – Ja! Bijna!
De vonken in het rond, de neus d’r op.
Parijsch kijkt zich de ogen uit de kop

terwijl Pavijen aan de overkant
verkoolt door zonne- en gewone brand.
Maar het belangrijkst is de camera.